|
In de doopkapel zijn twee ongelijke gewelfvakken met kruisribgewelven die worden opgevangen door kraagstenen en kapitelen op colonetten. Tegen de torenwand zijn twee drielobbige kraagstenen geplaatst die de gewelfribben opvangen. In tegenstelling tot de overzijde van de kapel zijn hier geen colonetten, maar is de oudere torenwand geheel vlak. De oostelijke kraagsteen heeft aan de onderzijde een half in de muur verdwijnende schotel, waaruit krullend koolbladwerk ontspruit, dat samen de drielobbige deksteen ondersteunt (k119). De westelijke kraagsteen heeft een vergelijkbare opbouw met schotel en bladwerk, maar er is afwijkend bladwerk, mogelijk van wijnranken toegepast. Bovendien zijn er tussen de stengels van de bladeren hangende vruchten of druiventrosjes uitgehouwen (k120). | 52 |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 52-53
Harry Boekwijt, Ronald Glaudemans en Wim Hagemans, De Sint-Janskathedraal van 's-Hertogenbosch (2010) 42
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 53